Toen nam de Temaniet Elifar het woord en zeide; . . .”
Job hst. 15 v. 1
  Toen we de volgende ochtend op stonden was het bitter koud. Maar na een ontbijt van cereal, bacon and eggs en fruit suice, was de zon hoog genoeg gestegen om ons aangenaam te verwarmen. We beklommen het gebergte achter ons en hadden een prachtig uitzicht over Tayma en de eindeloze vlaktes. In Tayma bezochten we een zeer oude water bron, gebouwd circa 1.000 jaar v.c., de Ain Haddaj, welke nog steeds in gebruik is. Arabische jongens sprongen van de muur in het diep gelegen frisse water en klommen als apen langs de stenen muur naar boven. Verder bezochten we de overblijfselen van de westelijke stadswal welke een totale lengte moet hebben gehad van 3 km. Deze en meerdere wallen met de aangebouwde vestingen zijn in het verleden de verdedigingswerken geweest rondom Tayma.

      De ruines van Qasr ar-Radim worden toegeschreven als de verblijfplaats van Nebonidus de laatste koning van de Neo-Babyloniers. Een inscriptie als zijnde geschreven door de koning zelf, gevonden in Harran, Turkye, geeft de details weer van Nabonidus vlucht naar zijn verblijfplaats in Tayma.
     “Ik hield mij zelf verborgen van mijn stad Babylon op weg naar Tayma, Daduna . . .“
Waarschijnlijk overwon hij de plaatselijke heerser (Malku) en nam bezit van Tayma.
Hij maakte de stad prachtig, bouwde er zijn paleis hetzelfde als zijn paleis in Babylon”
.

Sprongen Arabische jongens zonder vrees in het diepe.
Overblijfselen van de stadswal.

   Helaas was ook hier weer de tijd veel te kort om nog meer te bezichtigen in en rondom Tayma. Er zijn nog verschillende rotstekeningen in het Taimanite Thamudic schrift op de Jebel Ghunaim, we hebben er nog wel naar gezocht maar ze helaas niet kunnen vinden. We vervolgden onze weg richting Medina Saleh het doel van onze tocht. Het landschap waar we doortrokken was van vulkanische oorsprong, heuvels en vlakten lagen bezaait met zwart gesteente.
Het was nog een 400 km rijden en kwamen weer in het donker aan. Onze eerste zorg was dan ook het vinden van een geschikte plaats om de nacht door te brengen. Het gehele gebied rondom Medina Saleh is zonder schriftelijke toestemming niet toegankelijk. Nadat we het 'kamp' hadden opgeslagen, gingen Derrick en ik op zoek naar de politie om te proberen al een afspraak te maken voor de volgende dag om het gebied te mogen bezichtigen. We wilden als het even kon dezelfde avond alles regelen om de volgende dag geen tijd te hoeven verliezen.

   We reden maar op het eerste licht af dat we zagen en kwamen bij een paar golf platen huisjes. Nadat Derrick zo goed en zo kwaad als het ging in het Arabisch ons doel had uitgelegd, werden we uitgenodigd in één van de huisjes in de kring van de al aanwezige Arabieren plaats te nemen. Na de begroetingen over en weer werd er Arabische koffie geserveerd en na de koffie volgde de thee. Terwijl we daar zo zaten te drinken, kregen we bezoek van de Emir. Later bleek dat hij in het aangrenzende huis woonde.

   Het was een hele verschijning, met zijn prachtig geborduurde mantel en volle grijze baard. Een Emir heeft ongeveer de functie als bij ons een burgemeester en is dus de autoriteit ter plaatse.
Iedereen vloog onmiddellijk overeind bij zijn binnenkomst, wij natuurlijk ook en begroeten de Emir zo goed en kwaad als wij dat konden. Eén van de schoolgaande jongens, die wat Engels sprak, vertaalde voor de Emir ons doel op de late avond. Na alweer thee drinken bracht één van de jongere mannen ons naar het politiebureau, maar de dienstdoende agenten waren op patrouille en men wist niet hoe laat ze terugkwamen.

   We waren net terug in ons eigen ’kamp’ en maakten al aanstalten om te gaan slapen, toen de man die ons naar het politiebureau had gebracht, aankwam met de Emir. De Emir nodigde ons vieren uit om de nacht in zijn huis door te brengen. Aan de ene kant kwam ons dat wel goed uit, we hoefden dan immers de nacht niet in de open lucht door te brengen. Maar aan de andere kant wilden we ook onze stretch bedden niet meenemen en moesten, meende we, om onze solidariteit met de Emir te tonen, met de Emir en overige mannen maar op de harde grond gaan slapen.

   Na ons ’kamp’ weer afgebroken te hebben, reden we met onze wagens achter de Emir aan naar zijn huis en kregen er onze slaapplaatsen toegewezen. Wij lagen keurig met ons vieren op een rijtje op een Perzisch tapijt, dat op het zand was uitgespreid en probeerden door het draaien met onze heupen in het zand een zo aangenaam mogelijke slaap positie te krijgen.
We lagen eigenlijk net een beetje goed op onze plaatsen, toen de Emir binnenkwam. Blijkbaar waren de gevoelens van solidariteit niet wederzijds, want de Emir bracht een groot dik Pullman matras mee, en was binnen een paar minuten in diepe slaap. Voor ons was deze nacht een ware kwelling, want ook het ogenschijnlijk ’zachte’ zand kan na verloop van tijd ongelooflijk hard worden.

uit: Saoudi Arabiën Antiquities, pag. 38
        Dag 2                                                      Dag 3                                                      Dag 4