De
ruines van Qasr ar-Radim worden toegeschreven als de verblijfplaats van Nebonidus
de laatste koning van de Neo-Babyloniers. Een inscriptie als zijnde geschreven
door de koning zelf, gevonden in Harran, Turkye, geeft de details weer van
Nabonidus vlucht naar zijn verblijfplaats in Tayma.
“Ik hield mij zelf verborgen van mijn stad Babylon
op weg naar Tayma, Daduna . . .“
Waarschijnlijk overwon hij de plaatselijke heerser (Malku) en nam bezit van
Tayma.
“Hij maakte de stad prachtig, bouwde er zijn paleis
hetzelfde als zijn paleis in Babylon”.


Helaas
was ook hier weer de tijd veel te kort om nog meer te bezichtigen in en
rondom Tayma. Er zijn nog verschillende rotstekeningen in het Taimanite
Thamudic schrift op de Jebel Ghunaim, we hebben er nog wel naar gezocht
maar ze helaas niet kunnen vinden. We vervolgden onze weg richting Medina
Saleh het doel van onze tocht. Het landschap waar we doortrokken was van
vulkanische oorsprong, heuvels en vlakten lagen bezaait met zwart gesteente.
Het was nog een 400 km rijden en kwamen weer in het donker aan. Onze eerste
zorg was dan ook het vinden van een geschikte plaats om de nacht door te
brengen. Het gehele gebied rondom Medina Saleh is zonder schriftelijke toestemming
niet toegankelijk. Nadat we het 'kamp' hadden opgeslagen, gingen
Derrick en ik op zoek naar de politie om te proberen al een
afspraak te maken voor de volgende dag om het gebied te mogen bezichtigen.
We wilden als het even kon dezelfde avond alles regelen om de volgende dag
geen tijd te hoeven verliezen.
We reden maar op het
eerste licht af dat we zagen en kwamen bij een paar golf platen huisjes.
Nadat Derrick zo goed en zo kwaad als het ging in het Arabisch ons
doel had uitgelegd, werden we uitgenodigd in één van de huisjes
in de kring van de al aanwezige Arabieren plaats te nemen. Na de begroetingen
over en weer werd er Arabische koffie geserveerd en na de koffie volgde
de thee.
Terwijl we daar zo zaten te drinken, kregen we bezoek van de Emir. Later
bleek dat hij in het aangrenzende huis woonde.
Het was een hele verschijning, met zijn prachtig geborduurde mantel en volle
grijze baard. Een Emir heeft ongeveer de functie als bij ons een burgemeester
en is dus de autoriteit ter plaatse.
Iedereen vloog onmiddellijk overeind bij zijn binnenkomst, wij natuurlijk
ook en begroeten de Emir zo goed en kwaad als wij dat konden. Eén
van de schoolgaande jongens, die wat Engels sprak, vertaalde voor de Emir
ons doel op de late avond. Na alweer thee drinken bracht één
van de jongere mannen ons naar het politiebureau, maar de dienstdoende agenten
waren op patrouille en men wist niet hoe laat ze terugkwamen.
We waren net terug in ons eigen ’kamp’ en maakten al aanstalten
om te gaan slapen, toen de man die ons naar het politiebureau had gebracht,
aankwam met de Emir. De Emir nodigde ons vieren uit om de nacht in zijn
huis door te brengen. Aan de ene kant kwam ons dat wel goed uit, we hoefden
dan immers de nacht niet in de open lucht door te brengen. Maar aan de andere
kant wilden we ook onze stretch bedden niet meenemen en moesten, meende
we, om onze solidariteit met de Emir te tonen, met de Emir en overige mannen
maar op de harde grond gaan slapen.
Na ons ’kamp’ weer afgebroken te hebben, reden we met onze wagens
achter de Emir aan naar zijn huis en kregen er onze slaapplaatsen toegewezen. Wij
lagen keurig met ons vieren op een rijtje op een Perzisch tapijt, dat op
het zand was uitgespreid en probeerden door het draaien met onze heupen
in het zand een zo aangenaam mogelijke slaap positie te krijgen.
We lagen eigenlijk net een beetje goed op onze plaatsen, toen de Emir binnenkwam. Blijkbaar waren
de gevoelens van solidariteit niet wederzijds, want de Emir bracht een groot
dik Pullman matras mee, en was binnen een paar minuten in diepe slaap.
Voor ons was deze nacht een ware kwelling, want ook het ogenschijnlijk ’zachte’ zand kan na verloop
van tijd ongelooflijk hard worden.
